Probis Consult

VIA6 – FAQ

26 mei 2021

Volgende elementen zijn belangrijk om rekening mee te houden:

  • Voldoet de voorziening met de huidige personeelsinzet aan de verhoogde normen vanaf 1/7/2021, op basis van een geprojecteerde bewonersbezetting referentiejaar
    2021-2022?
  • Hoeveel bedraagt het boven-norm percentage?

Als de voorziening niet voldoet aan de verhoogde normen is extra personeelsinzet op basis van de tekorten noodzakelijk om financiële sancties bij de toetsing van de normen te vermijden.

Als de voorziening wel voldoet aan de verhoogde normen, zal de invulling van de bovennorm bepalend zijn om al dan niet extra zorgpersoneel in te zetten.

  • Bedraagt de bovennorm >15%, dan is extra personeelsinzet van zorg-medewerkers vanuit financieel oogpunt niet noodzakelijk. De extra personeelsinzet kan gerealiseerd worden met niet-zorg personeel.
  • Bedraagt de bovennorm <15%, dan kan extra gefinancierd zorgpersoneel worden ingezet

De stijging van het deel A2 bedraagt 1,5% van de reeds gefinancierde loonkost in deel A1.

  • Bovennorm >15%: het aantal VTE extra financiering kan berekend worden door het bedrag 1,5% deel A1 te delen door het gefinancierde loonkostbarema (afhankelijk van de kwalificatie – zie deel IV.1 van de berekeningsnota BTZ).
  • Bovennorm <15%: om de stijging van het deel A2 te kunnen benutten zal extra VTE zorgpersoneel ingezet moeten worden.
    • Bereken de maximaal financierbare loonkost deel A2 (15% van de loonkost deel A1)
    • Bereken de gefinancierde loonkost deel A2 van uw voorziening
    • Het loonkostverschil tussen beide bedragen omzetten in VTE: zie hierboven. (de kwalificatie is afhankelijk van de invulling van de personeelsnormen)

Het aantal VTE hoofdverpleegkundigen (of teamcoaches) is afhankelijk van het aantal bijkomende erkenningen (RVT). Aangezien het onderscheid tussen WZC mét en zonder bijkomende erkenningen de facto wordt opgeheven vanaf 1/7/2021, zal het VTE hoofdverpleegkundigen wellicht worden bepaald op basis van het totaal aantal B, C, Cd-bewoners.

Voor de precieze berekeningswijze en toetsing van deze norm zullen we de regelgevende teksten moeten afwachten.

Momenteel is compensatie van een tekort op de KEL-norm door andere kwalificaties niet mogelijk. Het is niet duidelijk op welke manier een tekort op de samengevoegde norm KEL-Reactivering gecompenseerd zal kunnen worden.

Ook wat dit betreft moeten we de regelgeving afwachten.

Alle zwaar zorgbehoevende bewoners worden door de nieuwe personeelsnormen op basis van dezelfde (hogere) normen gefinancierd. Globaal betekent dit een (nog) groter verschil tussen de financiering van lichte versus zwaar zorgbehoevende bewoners.

Los van de betere financiering van de zwaar zorgbehoevende bewoners zal elke voorziening een evenwicht moeten blijven vinden tussen de personeelsinzet, de financiering en de werkdruk.

Misschien zorgt de extra financiering van de zwaar zorgbehoevende bewoners wel voor extra (financiële) ruimte voor de opname van licht zorgbehoevende bewoners?

Neen, deze optimalisatieregel is niet meer van toepassing, aangezien het onderscheid tussen WZC zonder en met bijkomende erkenning (ROB/RVT) de facto verdwijnt vanaf 1/7/2021.

De B/C-optimalisatieregel is niet meer van toepassing vanaf 1/7/2021. Deze optimalisatiemogelijkheid hangt onlosmakelijk vast aan het verschil in financiering van ROB versus RVT-erkenningen. Aangezien het onderscheid tussen WZC zonder en met bijkomende erkenning (ROB/RVT) de facto verdwijnt vanaf 1/7/2021, verdwijnt ook deze optimalisatiemogelijkheid.

Het deel A1 zal stijgen omwille van de stijging van de gefinancierde personeelsnorm. Bij gelijke personeelsinzet zal in dat geval het bovennorm-% dalen. De financieringsruimte om extra gefinancierd zorgpersoneel te kunnen aanwerven wordt hierdoor groter.

 

De KEL-norm wordt uitgebreid naar alle zorgbehoevende bewoners (incl. D-profielen). Dit betekent wellicht dat nomenclatuur-kinéprestaties voor deze bewoners niet meer mogelijk zullen zijn.

 

Personeel dat sinds 1/1/2021 werd aangeworven met een contract onbepaalde duur komt in aanmerking.

Ook vervangers die een contract onbepaalde duur hebben gekregen kunnen hiervoor in aanmerking worden genomen.

Afhankelijk of de voorziening al dan niet aan de nieuwe personeelsnormen/verhoogde bovennorm voldoet en afhankelijk van de plaatselijke noden, kan de extra personeelsinzet ook worden gerealiseerd door niet-zorgpersoneel.

Het betreft hier een richtlijn in de VIA-6 akkoorden en geen verplichting die in de regelgeving verankerd zal worden.

De concrete toepassing van de richtlijn ‘bijkomende tewerkstelling’ zal afhankelijk zijn van:

  • de specifieke situatie van de voorziening, bv. een al dan niet historische (hoge) bovennorm
  • de lokale dynamiek van het sociaal overleg

Neen. Voor zover wij kunnen inschatten zal er enkel op sectoraal niveau een monitoring gebeuren van de evolutie van de personeelsinzet.

De gevolgen voor de aanvullende financiering zijn momenteel nog niet duidelijk.

De aanvullende financiering voor het niet-zorgpersoneel zal wellicht in zijn huidige vorm gevrijwaard blijven.

De aanvullende financiering voor het zorgpersoneel wordt mogelijks geïntegreerd in de basistegemoetkoming voor zorg.

De implementatie van de IFIC functieclassificatie in de publieke sector wordt momenteel voorbereid. De uiteindelijke uitrol zal afhangen van de voortgang van de voorbereidende werkzaamheden. De invoering zal met terugwerkende kracht vanaf 1/7/2021 gebeuren.

De financiering van de personeelsnorm gebeurt momenteel nog altijd op basis van de loonbarema’s van paritair comité 330. In het VIA 6-akkoord werd de ambitie ingeschreven dat vanaf de basistegemoetkoming 2023, de financiering van de personeelsnorm zal gebeuren op basis van de IFIC-barema’s.